Spits Hulzense Boys
Wilmar Nieuwenhuis (26) heeft een volle agenda. Hij werkt als docent lichamelijke opvoeding bij een scholengemeenschap in Rijssen, is trainer van de C-1 jeugd van Hulzense Boys en is spits van het eerste van deze zaterdag tweede-klasser. Hij is zoals dat heet een lopende spits, die gaten voor anderen trekt. Jammer genoeg heeft hij dit seizoen nogal eens een wedstrijd moeten missen vanwege een slepende heupblessure. Hopelijk brengt een onderzoek bij de Sint Maartens kliniek in Nijmegen meer duidelijkheid.
Van jongs af aan is hij al supporter van Heracles. Het begon bij de Kidsclub. ‘Ik ging naar open dagen en speciale middagen, dan mocht je penalty schieten en zo. Dan word je vanzelf fan. Vanaf 2002 heb ik een seizoenkaart, dus ik heb nog drie jaar Eerste Divisie meegemaakt.’ Zijn mooiste Heracles-ervaring? ‘De halve finale van de beker in 2012, tegen AZ. Wat er toen gebeurde, dat ging alles te boven. De finale viel natuurlijk tegen, maar de aanloop ernaartoe was prachtig.’ Uitgesproken idolen heeft Wilmar nooit gehad. ‘Ik heb eigenlijk meer iets met anti-helden, zoals Gluscevic en Looms. Wat Looms deed zag er soms niet uit, maar hoe die zich heeft gemanifesteerd al die jaren, daar heb ik bewondering voor. Cultfiguren, daar hou ik van, zoals ook Quansah.’
Als Heracles-supporter maakt Wilmar deel uit van een groepje met ook jongens van clubs als Hellendoorn en Enter Vooruit. ‘We kenden elkaar al van de voetbal. Met Hulzense Boys speelden we jarenlang tegen Enter Vooruit in de tweede klasse, totdat ze vorig seizoen promoveerden. Mooie wedstrijden waren dat altijd. In het veld ging het er bloedfanatiek aan toe, na de wedstrijd bleven we bij elkaar en dronken we een pilsje. En als de kantine dicht ging, gingen we bij iemand thuis verder. Een van de jongens heeft jaren geleden een app aangemaakt, toen is dat groepje ontstaan.’
Wilmar heeft als broekie nog een jaartje bij de D-Jeugd van FC Twente gespeeld, maar viel net af. Ook heeft hij tot zijn vijftiende meegespeeld in alle regionale selecties van de KNVB. Vanaf zijn zeventiende speelt hij al in het eerste van Hulzense Boys. ‘Zo’n acht jaar geleden kwam deze groep al bij elkaar. Veel jongens die hier eerder hadden gespeeld kwamen toen weer terug, sommigen namen weer anderen mee. Er zijn in de tussentijd jongere spelers bij gekomen, maar de kern is hetzelfde gebleven. Het is een vriendenteam, maar dat heeft ons ook wel eens punten gekost. Als je vrienden van elkaar bent, spreek je elkaar niet zo snel op fouten aan, het ontbrak aan een leider. Onder onze huidige trainer is dat veranderd. We zijn volwassener geworden en wijzen elkaar op verantwoordelijkheden.’
Met een van de huidige spelers van Heracles heeft Wilmar iets speciaals: Wout Weghorst. ‘Ik heb heel vaak tegen hem gespeeld in de jeugd, hij zat bij NEO. Toen we met de C1 tegen de C1 van NEO speelden gebeurde er iets waardoor ik hem heb leren kennen. Het liep tegen het einde, wij stonden voor. Ik ging alleen op de keeper af, toen werd ik door hem onderuit gehaald. Het was een flinke schop, de scheidsrechter maakte meteen een einde aan de wedstrijd. Sindsdien kennen we mekaar en maken we wel eens een praatje. Ik denk dat we ongeveer van hetzelfde niveau waren toen. Hij heeft enorm in zichzelf geïnvesteerd, daar heb ik veel bewondering voor. Deto, Willem II, Emmen, Heracles… superknap hoe hij zich heeft ontwikkeld, mooi om te zien.’
Twee jaar geleden koos Wilmar voor een buitenlands avontuur, niet als voetballer, maar als trainer. Hij had zijn opleiding tot docent lichamelijke opvoeding voltooid en was in bezit van het trainersdiploma TC3. ‘Ik kon gaan lesgeven, maar ik was 23 en vond mezelf te jong om al voor een groep van jongeren tot en met 18 jaar te staan. Toen stuitte ik op een vacature van een Nederlands bedrijf dat trainers detacheert in de Verenigde Staten. Zo ben ik in New Jersey terechtgekomen, bij Cranford, vlakbij New York. Anderhalf jaar heb ik er gezeten en kinderen getraind. Een hele waardevolle ervaring. Het niveau daar is minder, wat er ook mee te maken heeft dat de ouders van die kinderen vroeger niet gevoetbald hebben en er minder verstand van hebben. Het gaat hen vooral om winnen en scoren, terwijl je als trainer die kinderen techniek en samenspel wilt aanleren. Ik ging vaak naar New York, op een gegeven moment voel je je geen toerist meer, zo bekend wordt alles. Ik ben er ook naar wedstrijden van de New York Red Bulls geweest, waar Thierry Henry toen speelde. De sfeer is wel vergelijkbaar met hier, maar voor de Amerikanen is het bezoek aan een wedstrijd toch meer een gezellig uitje.’
Terug in Nijverdal ging hij als docent aan de slag bij een scholengemeenschap in Rijssen. Hij heeft veel plezier in zijn werk. ‘Kinderen zitten natuurlijk te veel achter de computer en zijn te veel met hun smartphone bezig. Bij gym moeten ze hem inleveren, maar soms verstoppen ze hem in hun kleding. Na afloop weten ze niet hoe gauw ze op dat ding moeten kijken. Toen ik kind was ging je elke vrije minuut naar buiten, voetballen. Daar kweek je een basis mee, die kinderen nu minder hebben denk ik. Gymnastiek en sport zijn belangrijk voor kinderen. Het gaat niet alleen om het sportieve en de beste willen zijn. Je leert ook andere capaciteiten ontwikkelen, sociale vaardigheden, respect voor elkaar. Ik wil ook mindere leerlingen een succeservaring laten beleven.’
Als trainer heeft Wilmar ambities. ‘Ik wil er wel verder mee en ga zeker nog opleidingen volgen. Maar op dit moment is dat niet aan de orde, ik speel zelf nog, geef les, train de jeugd, ik zou niet weten waar ik de tijd vandaan moet halen…’